Aldus tot stand gekomen orgels benadrukken volgens Andersen vooral hoe het niet moet: ‘ze hebben ons de onmogelijkheid geleerd een orgel te creëren door specialisten die niets met elkaar van doen hebben bij elkaar te voegen; ze hebben nadrukkelijk deze onderervinding uit de orgelhistorie onderstreept: de basis van een orgel moet een centrale gedachte zijn, en de details moeten worden gewaardeerd naar hun vermogen tot samengaan. De meesterorgelmaker moet daarom kennis hebben van en inzicht hebben in alles wat tot het orgel behoort. Hij moet in staat zijn de dispositie op te stellen, de mensuren voor te bereiden, de ordening en layout van de Werken vast te stellen evengoed als de basisstructuur van het front en hij moet voldoende kennis van architectuur hebben om met de architect te kunnen samenwerken. Bij voorkeur moet hij het front zelf kunnen tekenen. Hij moet in staat zijn het instrument te intoneren en bovenal moet hij een grondig begrip van handwerk, materialen en constructie hebben en natuurlijk ook de financiële details kunnen overzien.

Opmerkelijk is dat een centraal figuur uit de orgelcultuur van vandaag de dag in Andersens betoog over de herleving van de orgelkunst nagegenoeg geheel ontbreekt: de orgeladviseur. Pas op de laatste bladzijden van Andersens boek wordt deze figuur terloops genoemd als noodzakelijk behartiger van de belangen van de toekomstig eigenaar van een orgel tegenover de orgelmaker. De artistieke verantwoordelijkheid ligt volgens Andersen echter geheel bij de orgelmaker:

Als een orgel wordt beschouwd als meer dan een machine, misschien zelfs als een kunstwerk, dan moet de orgelmaker worden beschouwd als kunstenaar of ambachtsman en zou het catastrofaal zijn hem van zijn initiatief en verantwoordelijkheid te beroven. Deze verantwoordelijkheid kan niet door anderen worden overgenomen. Een orgelmaker behoort de vrijheid te hebben problemen volgens zijn eigen overtuiging op te lossen. Alleen dan kan hij worden beoordeeld zoals hij verdient, door de instrumenten die hij heeft gemaakt’.

De rol van de adviseur als orgelarchitect wordt door Andersen nadrukkelijk beschouwd als verschijnsel van het voorbije verleden en aangevoerd als voorbeeld van hoe het niet moet:

In het verleden was een systeem van gunning gebruikelijk door aanbesteders uit te nodigen, vaak met een dispositie en een tamelijk onschadelijke werkomschrijving als enige basis. In de veronderstelling dat de ondernemers onder dezelfde voorwaarden op hetzelfde inschreven werd de prijs de beslissende factor. Deze situatie werd niet verbeterd door het feit dat velen die in dit soort gevallen als adviseur of expert optraden in een ontstellende mate de kwalifictaties om adviseur te zijn of enige verantwoordelijkheid te dragen ontbeerden. De orgelbouwer werd doorgaans beschouwd als een zakenman en het hele systeem bevoordeelde de toegeeflijke orgelbouwer die gewillig bouwde “als gevraagd” ten einde contracten binnen te kunnen halen. Als er iets fout ging, kon hij een groot deel van de verantwoordelijkheid afschuiven op de adviseur, een schrale troost voor de koper.

Andersens afwijzing van publieke aanbesteding op andermans ontwerp blijkt te worden gedeeld door niet de minsten uit de Nederlandse orgelhistorie. De orgelmaker Heinrich Hermann Freytag meldde bijvoorbeeld in 1802 het stadsbestuur van Hasselt nimmer op een openbare aanbesteding te zullen intekenen ‘omdat bij wijze van uitbesteding het werk word bedorven en niet duurzaam is en nog met zeer veele onaangename histories verzeld gaat’. In zijn eigen woorden: ‘Ik zal mijn persoon niet recommandeeren nog veel ophef van mijne capaciteit maken maar myn werken moeten voor my pleiten, maar nooit zal [ik] mij inlaten om een werk bij publieke uitbesteding aan te nemen’. Jonathan Bätz bedankt in 1840 de kerkvoogden van Zwammerdam eveneens voor mededinging op grond van een adviseursbestek: ‘Aangezien wij het altoos rekenen ten nadeelen te zijn, van de vervaardiging eens orgels, dat dusdanig een kunststuk publiek of [bij] inschrijving wordt aanbesteed, zoo hebben wij ons steeds toegelegd, om door getrouw eerlijk en overeenkomstig de behoefte der Kunst deugdzaam werk te leveren eene preferentie in het te verkrijgen maar nimmer door inschrijving voor de minste prijs’.

Eenzelfde artistiek zelfbewustzijn van de betrokken orgelmakers komt ook naar voren bij de ontstaansgeschiedenis van meerdere van de voor Audite Nova op cd vastgelegde instrumenten. Willem van Leeuwen weigerde bijvoorbeeld naar verluidt een orgel voor Spakenburg te bouwen wanneer het plafond van de nieuwe kerk niet met harde platen zou worden bekleed. Voor hun orgel van Nieuwendijk legden de Gebroeders Van Vulpen het voorstel van mr Schokking, voorzitter van zowel de Hervormde Orgelcommissie als het Nationaal Rampenfonds om de bestaande Van Dam-kas te handhaven en bij uitzondering een strijker in de dispositie op te nemen naast zich neer. Hendrik Jan Vierdag overwoog na kritiek van adviseur Hülsmann op het al door de opdrachtgever goedgekeurde frontontwerp zelfs de opdracht voor het orgel van Pendrecht terug te geven.

Waar Poul Gerhard Andersen samenvattend om artistieke redenen de architectenfunctie van de orgeladviseur afwijst, blijkt de belangrijkste promotor van het werk van de firma Marcussen in Nederland, de in 1948 opgerichte Orgelcommissie van de Nederlandse Hervormde Kerk, juist van meet af aan expliciet zichzelf deze rol toe te hebben toegedicht. Dat blijkt bijvoorbeeld als in de na de Oorlog herbouwde Hervormde Kerk van Dinteloord in 1950 een nog geen twee jaar eerder geplaatst architectenfront moet worden afgebroken: in samenspraak met de pas in later instantie bij dit project betrokken Hervormde Orgelcommissie moet hier namelijk een geheel nieuw ontwerp volgens de laatste inzichten worden gemaakt. Volgens restauratiearchitect De Wilde neemt de Hervormde Orgelcommissie daarbij nadrukkelijk ‘de rol van “orgelarchitect” op zich en heeft dezelfde functie als de architect bij een bouwwerk’. Het door Andersen juist zo als deel van het voorbije verleden gehekelde uitgangspunt van de adviseur als orgelarchitect blijkt wel heel nadrukkelijk wanneer de Hervormde Orgelcommissie de plichten van orgelmaker Flentrop in het conceptcontract voor Dinteloord als volgt verwoordt:

De aannemer houdt de commissie voortdurend van de algemene gang van werkzaamheden en van het gereedkomen van belangrijke onderdelen schriftelijk op de hoogte en volgt de door de commissie gegeven aanwijzingen stipt op. Mochten bepaalde aanwijzingen afwijken van de inzichten van de aannemer, dan zal de aannemer hiervan de commissie onmiddellijk schriftelijk gemotiveerd in kennis stellen. De commissie bespreekt alsdan op zo kort mogelijke termijn zo enigszins mogelijk in een volledige commissie vergadering’.