Alle beoogde herleving van de orgelbouw ten spijt Is de orgelmaker hier voor de Hervormde Orgelcommissie nog steeds “aannemer”, die de “aanwijzingen” van deze commissie maar heeft op te volgen. Uiteraard was dit voor een zelfbewust orgelmaker als Dirk Andries Flentrop onacceptabel. Vóór de definitieve ondertekening is de gewraakte passage uit het Dinteloordse conceptcontract dan ook doorgehaald. Niet onwaarschijnlijk ligt hier al het begin van de spoedige en onvermijdelijke verwijdering tussen orgelmaker Flentrop en de Hervormde Orgelcommissie, met als gevolg dat het Zaanse bedrijf noodgedwongen vooral buiten de landsgrenzen tot grote bloei wist te komen. In 1966 zette Flentrop zijn standpunt nog eens uiteen tegenover de Amerikaanse organoloog Fenner Douglass:

De finale beslissingen moeten worden genomen door degene die verantwoordelijk is voor het instrument. En wie anders zou verantwoordelijk kunnen zijn dan de bouwer zelf? Hoe kan hij anders een kunstwerk scheppen? Ooit gehoord van een schilder of beeldhouwer die een schilderij of beeld maakte ontworpen door de gecomitteerde of nog erger, door een commissie?

In de Verenigde Staten blijken Flentrops instrumenten inderdaad meer dan in eigen land als kunstwerken te zijn ontvangen, als landmarks die je vandaag de dag niet zomaar aan je eigen onbegrip aanpast. Als geen ander heeft juist Dirk Andries Flentrop wel bewezen dat Nederlandse orgelmakers instrumenten van mondiale betekenis kunnen maken. Het lukt ze in de praktijk alleen zelden in Nederland. Misschien is ruim een halve eeuw na dato de vraag toch gerechtvaardigd in hoeverre juist de door de Hervormde Orgelcommissie bestendigde architectenrol van de orgeladviseur uiteindelijk toch niet als laatste en meest kwalijke erfenis van de ‘vervalperiode’ mag worden beschouwd, een erfenis die tot op de dag van vandaag zijn inktzwarte schaduw over de Nederlandse orgelcultuur blijft uitwerpen…

Ook een andere pionier van de Hervorming van de Nederlandse orgelbouw, orgelmaker Willem Van Leeuwen blijkt zich in 1955 in ieder geval om exact dezelfde redenen als Flentrop af te vragen in hoeverre verdere samenwerking met de Hervormde Orgelcommissie zinvol is, ondanks zijn grote waardering voor het werk van deze comissie ‘in deze voor de ontwikkeling van de orgelbouwkunst in ons vaderland beslissende periode’. Kon Van Leeuwen in 1950 nog met de werkwijze van de Orgelcommissie instemmen zonder zijn ‘principes als orgelmaker geweld aan te doen en het gevoel te hebben als “aannemer van orgelbouwkundige werken” te staan onder de directie van een commissie van “orgelarchitecten”, in 1955 wil hij ‘deze samenwerking, die gebleken is vruchtbaar te zijn’ toch niet ‘tot iedere prijs’ bestendigen, immers: ‘bij een goede samenwerking tussen organisten-adviseurs en de orgelmaker, dient voorop te staan dat de orgelmaker vrij moet zijn in de keuze van zijn werkwijze en autonoom ten opzichte van de klank’.

Uiteraard konden contacten met goede organisten ook bij de orgelmakers van de Wederopbouw tot vruchtbare wederzijdse inspiratie leiden. Volgens Poul Gerhard Andersen echter is met de herleving van de orgelkunst de taak van de organist wezenlijk veranderd ‘ door de erkenning van de wederzijdse samenhang tussen de dispositie en de afzonderlijke mensuurberekeningen van de registers, evenals door vele praktische overwegingen voor de oprichting van het instrument’.

Volgens Andersen is het ‘een bijzonder algemene misvatting dat muzikaal talent vereist is voor wie zich bezighoudt met de klankvraagstukken van het orgel. Muziek zonder klankkleur kan men zich zeker niet voorstellen, maar muziek en klankkleur zijn twee verschillende dingen, en klankkleuren treden op in samenhang met andere verschijnselen dan muziek. […] Er zijn bijzonder bekwame orgelmakers die haast als onmuzikaal kunen worden omschreven, maar zij verstaan niettemin een orgel te intoneren. Overeenkomstig zijn er bekwame organisten die weinig tot totaal geen kennis hebben van mensuurberekening, ruimteakoestiek en de talrijke praktische aandachtspunten die overweging vereisen als een orgel moet worden ontworpen. Deze zaken zijn beslist de zorg van de orgelmaker.

De primaire verantwoordelijkheid van de organist ligt daarmee volgens Andersen niet bij het ontwerp van het instrument, maar ‘in de toekomst, in het gebruik van het orgel. Hij moet het bespelen, ervaringen ermee opdoen, inspiratie opdoen uit de mogelijkheden ervan en er muziek voor componeren om daarmee de orgelbouw tot verdere vooruitgang te inspireren. De orgelmaker moet een nijvere luisteraar zijn omdat de “stijl” van een instrument niet kenbaar wordt gemaakt voordat het daadwerkelijk in gebruik is’. Zoals Dirk Andries Flentrop in hetzelfde jaar 1956 stelde: naar een goed orgel moet je leren luisteren, ook als bespeler, zelfs ook als maker ervan.

Hoewel Lambert Erné in dit kader in 1953 nog de hoop uitspreekt ‘dat de orgelbouwers zich hierbij nu en in de toekomst goed zullen kunnen aanpassen’ blijkt bijvoorbeeld bij de uitbreiding van het Van Vulpen-orgel van Rhenen nog geen vijfentwintig jaar na de bouw het tegendeel. Bij deze uitbreiding in 1980 wordt onder advies van dezelfde Hervormde Orgelcomissie een qua dispositie, oriëntatie en mensuring totaal andersoortig borstwerk toegevoegd dan bij de bouw in 1957 was voorzien. De daarmee ontstane tweeslachtigheid van het instrument wordt ook in het keuringsrapport gesignaleerd: ‘De uitbreiding en completering van het orgel maakt intussen wel duidelijk, dat de opvattingen betreffende de orgelklank in belangrijke mate zijn gewijzigd, wanneer men de nieuwe registers vergelijkt met de reeds aanwezige. […] Niet te loochenen is dat het verschil tussen nieuw en oud bij uw orgel het verlangen doet ontstaan om het oude pijpwerk te doen klinken als het nieuwe. Geheel te realiseren is dit niet, doch wel is mogelijk om bijvoorbeeld de zeer sterke en opvallende voorspraak bij verschillende oude registers weg te nemen en door verhoging van de opsneden van de pijpen te komen tot een rondere en draagkrachtiger klank’.