Dit brengt ons bij de vraag of men deze orgels, waarbij de klank door de gangbare mensurering en intonatiemethode  thans te vaak als scherp en agressief wordt ervaren en of deze ook in technisch opzicht voor verbetering vatbaar zouden zijn, moet laten in de staat waarin ze zijn opgeleverd. Menig vaste bespeler van een dergelijk instrument zal klankcorrectie en technische verbetering toejuichen. Daarbij behoren wijzigingen in principe met respect voor het oorspronkelijk concept te worden uitgevoerd.

Er is een soort algemeen beeld ontstaan als zouden deze instrumenten qua klank onbevredigend zijn. Wie de opnamen beluistert, komt al snel tot de conclusie, dat dit toch geen algemeen oordeel mag blijven. Nu moet wel worden vermeld, dat de hier bespeelde instrumenten met grote zorg zijn uitgekozen. Bovendien worden ze op een adequate manier tot klinken gebracht. Dat mag worden gezegd van de registraties en de articulatie. Nergens klinken deze instrumenten scherp of agressief. Misschien zat er ook wel een kern van waarheid in de stelling van Lambert Erné, dat ”orgelklank moet rijpen als kaas”! (Het Van Vulpenorgel in Didam (1956) werd aan de binnenzijde van de achterwand voorzien van zachtboardplaten teneinde de te scherpe klank te dempen. Deze platen werden na een tiental jaren door de orgelbouwer verwijderd; ze waren overbodig geworden).

Niet alle voor het project bespeelde orgels reageren op de articulatiebedoelingen van de bespeler zoals het orgel in de Nicolaïkerk . Ook in dat opzicht was dit instrument in zijn tijd ongeëvenaard. Het over-legato (“plakkato”) bespelen van dit type orgels laat deze instrumenten niet van hun beste kant horen. Niet voor niets werd op het N.O.V.-congres in 1953 al verkondigd, dat organisten weer moesten leren om polyfoon te spelen; dat wil zeggen doorzichtig en met de juiste articulatie. Voor sommige organisten lijkt “snel” het enige criterium te zijn en zelfs het type instrument dat wordt bespeeld, lijkt niet van invloed te zijn op de keuze van de orgelwerken.

Tot op de huidige dag wordt op deze orgels dikwijls “foutief” geregistreerd. Men houdt geen rekening met de zogenaamde klankpyramide, een in de bouwtijd van deze orgels gangbaar begrip.
Het willekeurig combineren van registers met wijde of enge mensuur lijdt vaak tot slecht klankresultaat: wijde fluiten horen hier in principe niet aan enge registers van lagere voethoogte te worden toegevoegd: de combinatie Prestant 8’, Octaaf 4’, Octaaf 2’ wordt door een toegevoegde Fluit 4’ vaak ernstig vertroebeld. Er ontstaat wollige onzuiverheid en dat wekt bij deze orgels irritatie vooral als men zijn gehoor heeft gewend aan romantische orgelklank, waar van een andere muzikale benadering sprake is. Het koppelen van klavieren, waarbij de plena van werken op verschillend niveau, die op zich voldoende zijn gedisponeerd (bijvoorbeeld Hoofdwerk en Rugpositief) worden gecombineerd, leidt veelal niet tot groter
klankvolume, maar heeft slechts vertroebeling en onzuiverheid en dus slecht klankresultaat tot gevolg. Helaas is het niet elke organist gegeven om bij het musiceren op dit type orgels optimaal zijn oren te gebruiken!