Men kan inmiddels van mening verschillen over de wijze waarop (misschien al te veel orgels reeds zijn gecorrigeerd en aangepast). We laten hier buiten beschouwing, dat er orgels zijn die door een onevenwichtige dispositie, slechte windvoorziening, taaie mechanieken of niet goed functionerende laden (“beveiliging” tegen verwoestende verwarming door middel van belemmerende sleepsystemen)  niet kunnen ontkomen aan verbetering.

Elke tijd kent ook zijn minder goede voorbeelden. Er moet echter in  ieder geval consensus bestaan over bepaalde instrumenten die onherroepelijk als fraai specimen uit deze periode dienen te worden erkend en die ongemoeid moeten worden gelaten. Immers, dergelijk respect is in vroeger tijden (en ook in deze tijd zelf!) helaas voor de instrumenten die ons zijn overgeleverd, veel te weinig opgebracht. Geleidelijk is men in ons land door studie te maken van historische orgels tot een meer prudente wijze van restaureren gekomen. Het instrument staat centraal en niet de individuele organist, die dat instrument “aangepast” wil hebben. Gelukkig zijn er gevallen bekend van orgelbouwers die geweigerd hebben om mee te werken aan willekeurige aantasting van representatieve instrumenten.

Vandaag richt zich de aandacht vooral op het Marcussenorgel in de Nicolaikerk  en met recht!
Toen ik enige tijd geleden geïnspireerd en enthousiast na bespeling van dit orgel de orgeltrap was afgedaald, wachtte mij een ontgoocheling. Een van de aanwezige collega’s typeerde de klank van dit waarlijk koninklijk instrument aldus: “het knort beneden, schreeuwt van boven en in het midden is er niets”! Dat onthutsende commentaar was voor mij een uitdaging om kort daarna een orgelreis door Denemarken te gaan maken langs vermaarde “soortgenoten” van ons Nicolaiorgel. Ik ben toen tot de overtuiging gekomen, dat onze collega zijn beleving van orgelklank door een gefixeerd vooroordeel laat leiden.